| De eerste tekenen van het
voorjaar hingen in de lucht. Het nieuwe leven begon geleidelijk
de plaats te veroveren die het oude had moeten prijsgeven. Ook ik
voelde het voorjaar in mijn lijf prikkelen en besloot naar het park
in Brakkenstein te gaan. Wimpie van de plantsoenendienst zat op
zijn vaste stek. Ik vroeg waar zijn hond was.
"Die zit achter de merels aan, dat beest zal nooit begrijpen
dat ie een vogel niet te pakken kan krijgen. Dieren hebben een gelukkig
leven meneer, ze hebben er geen benul van dat ze dood gaan en dus
hoeven ze zich ook geen zorgen te maken over hoe ze hun leven zullen
indelen."
Wimpie’s logica klonk zoals gewoonlijk zeer overtuigend.
"Wilt u wel geloven dat ik nu pas begin te vermoeden dat bomen
een ziel hebben? U moet maar eens goed opletten, als mijn hond er
genoeg van heeft dan rent hij als een pijl naar die rode beuk daar,
want daar heeft hij iets mee. Hij rent er eerst drie, vier keer
omheen en dan komt ie helemaal tot rust en dan gaat ie pak weg vijf
minuten dicht tegen de stam gedrukt liggen uitblazen. Kijk, daar
gaat ie, ziet u wel?", wees hij triomfantelijk.
Na vijf minuten kwam het dier weer aanlopen, alsof hij wilde zeggen:
ziezo, ik heb mijn behandeling gehad. Hij snuffelde aan mijn schoenen
als groet, gaf een lik over de hand van zijn baas en ging met een
diepe zucht liggen.
"Dieren zijn onbekommerd, maar wij niet omdat we zoveel nadenken
over ons bestaan. Maar hoe een dier pijn verwerkt zou ik niet weten,
weet u dat misschien? Ik ken iemand die reuma heeft en elke keer
als ik haar zie, is ze nog meer vergroeid en verschrompeld en ze
heeft de hele dag pijn. Haar vader was kunstschilder en zelf maakte
ze ook prachtige schilderijen en aquarellen. Ze denkt natuurlijk
na over haar
afschuwelijke bestaan en we praten ook weleens over
doodgaan. Een paar maanden geleden vertelde ze, dat ze zoals gewoonlijk
haar beha voor het gemak achterstevoren had aangedaan, maar ze kon
het ding niet meer terugdraaien. |
Haar hulp had haar moeten
helpen, want haar vergroeide handen lieten het afweten. Toen zeg
ik: ‘Heb je verdomme nou nooit eens zin om een stuk in je
kraag te drinken om even verlost te zijn van al die ellende?’
Ze zegt: ‘Als ik niet rookte ging ik aan de fles, maar die
kan ik niet open krijgen.’"
"De manier waarop ze me met haar grote blauwe en natte ogen
aankeek meneer. Ik ging door de grond en toen zei ze: ‘Ach
Wimpie, ik heb geleerd dat ik me eraan moet overgeven, anders blijf
ik in het duister lopen en ik wil de zin ervan een beetje begrijpen.
Ik ben iemand die licht nodig heeft om te kunnen zien wat ik schilder,
snap je?’"
"Nou, daar begreep ik geen fluit van en toen zei ze: ‘Ik
verteer bij het leven, ik sterf iedere dag een beetje en ik heb
er nu ook nog gordelroos bij gekregen en dat doet zo verdomde veel
pijn. Natuurlijk vind ik het niet leuk om dood te gaan, maar ik
weet wél dat mijn dood tot iets nieuws zal leiden en dát
vind ik nogal opwindend en positief. Het geeft me kracht om verder
te gaan en daarom laat ik mij telkens weer overeind helpen. Ik zoek
steun bij mensen die me heel erg na staan, zoals jij. Ik laat me
nog niet kisten hoor, ik wil nog wel graag even in de buurt blijven.
En toen gaf ze me een kus…"
Wimpie stond op en veegde zijn ogen af.
"Ze is vorige week overleden meneer…"
Hij lijnde de hond aan, draaide zich om en slofte weg.
- Klaas Tesser debuteerde dit jaar op 76-jarige leeftijd
met de roman Sylvia.
Het verhaal van dit boek speelt zich af in Indonesië, waar
Tesser tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van 1947 tot 1950 als
militair diende. Vanaf 1967 was hij twintig jaar werkzaam op de
Universiteitsbibliotheek.
|