De voorkant
Deze foto is van de hand van Jan Lintsen. Vanuit de traumaheli fotografeerde hij de universiteit, die het werkterrein zal zijn van een kleine tienduizend nieuwe eerstejaars.

 

 
<< terug
Een kort overzicht van de belangrijkste monumenten

Nijmeegse symbolen

‘Even zoo verre spannen die van Nijmegen boven de Arnhemsche de kroon in schilderachtige landschappen, lagchende heuvelen, romantische dalen en schitterende vergezigten’, aldus een Nijmeegs historicus in 1825. Helaas heeft de Waalstad, met name door de Tweede Wereldoorlog, veel van haar pracht verloren. Toch valt er nog genoeg moois te ontdekken in deze stad. Een overzicht ter introductie voor de nieuwe studenten en als herinnering voor de bewoners.

door Jeroen Savelkouls

Valkhof


Het aan de Waal gelegen park het Valkhof is een van de belangrijkste symbolen van Nijmegen. Klein, maar mooi gelegen en met veel historie. De heuvel werd reeds in de prehistorie en de Romeinse tijd bewoond. Hier getuigen enkele archeologische vondsten van. Vanaf 777, toen Karel de Grote in Nijmegen het paasfeest vierde, was er sprake van een groot kasteel, een keizerlijke palts. De Frankische keizer vebleef regelmatig op op het Valkhof. Lange tijd heeft men dan ook gedacht dat de St. Nicolaaskapel op het Valkhof een uit die tijd stammend bouwwerk is. Kunsthistorisch onderzoek heeft echter uitgewezen dat de kapel pas in de elfde eeuw is opgetrokken. Vlak naast de St. Nicolaaskapel bevindt zich de ruïne van een andere kapel. Van deze St. Maartenskapel zijn alleen nog de absis en een gedeelte van het koor overgebleven. Tegenwoordig staat het midden in een grasveld, omringd door bomen, maar oorspronkelijk maakte het deel uit van een burcht, in de twaalfde eeuw gebouwd door keizer Frederik I Barbarossa. Hoe de burcht er exact uitgezien heeft, is niet bekend, maar men neemt aan dat het Valkhof, voor de sloop van de burcht in 1796, werd gesierd door een grote toren die de macht van de keizer symboliseerde, en twee kapellen. Voor overige gebouwen uit die tijd op het Valkhof zijn weinig bewijzen.

 



Grote of St. Stevenskerk

Na het vertrek van de Romeinen uit Nijmegen stichtten de eerste christenen een kerk – de Gertrudiskerk - op de Valkhofheuvel. Later ging deze kerk deel uitmaken van de burcht van keizer Frederik. Na de verpanding van de burcht aan graaf Otto II van Gelre in de dertiende eeuw, werd de kerk afgebroken en een nieuwe opgetrokken in het centrum van de stad. Dit in laat-romaanse stijl gebouwde godshuis werd op 7 september 1273 gewijd door de bisschop van Keulen, Albertus Magnus. Van hem valt nu nog in de kerk een rib te bezichtigen. Na bijna veertig jaar was het werk voltooid: een driebeukige kerk met een halfrond gesloten koor. Op het einde van de vijftiende eeuw werd de kerk gepromoveerd tot kapittelkerk. Dit betekent dat er een kapittel, een college van kanunniken, aan de kerk verbonden werd dat zorg moest dragen voor de eredienst. De kanunniken hadden tevens de verantwoordelijkheid voor de nabij gelegen Latijnse School. Voorafgaand aan deze verheffing tot kapittelkerk was men al begonnen aan de vernieuwing van de kerk. Deze verbouwing duurde aanzienlijk langer dan de eerste bouwfase: zo’n driehonderd jaar. Door de opkomst van het protestantisme kon de verbouwing in de zestiende eeuw niet worden voltooid. Nijmegen kwam onder protestants bestuur. Het interieur kreeg een ander, soberder karakter. Slechts een klein aantal versieringen zijn er nog overgebleven, zoals de vijftiende-eeuwse afbeelding van een christelijke prinses die werd gedwongen te trouwen met een heiden. Ze bad daarom tot ‘Sinte Ontcommer’ om aan het huwelijk te ontkomen. Haar gebeden werden verhoord: ze kreeg een baard en prins wilde haar niet meer. Helaas werd ze uiteindelijk wel als heks gekruisigd. In 1810 werd de Stevenskerk bij Koninklijk Besluit definitief eigendom van de Hervormde Gemeente. De toren is overigens eigendom van de gemeente Nijmegen. Dit omdat Napoleon alle hoge torens op strategisch gelegen plaatsen in beslag heeft laten nemen en liet beheren door het stadsbestuur. Door een vergissing van de geallieerden werd de kerk op 22 februari 1944 bij een bombardement op Nijmegen zwaar beschadigd. De restauratie na de oorlog duurde twintig jaar.


Latijnse school


Naast de St. Stevenskerk bevindt zich de Latijnse school. Deze is opgericht door de geestelijkheid van de kerk om nieuwe geestelijken op te leiden. Er is voor het eerst sprake van een Latijnse school in documenten uit 1284. Het schoolgebouw dat er toen stond en waar ook Erasmus les heeft gehad, werd in 1544 vervangen door het huidige bouwwerk. Op het moment van de nieuwbouw ging het bestuur van de school van de kerk over op de stad. Het stadsbestuur benoemde vanaf dat moment de rector en bepaalde het schoolreglement. De geestelijkheid mocht wel advies geven bij de benoeming van een nieuwe rector. Aan de Latijnse school studeerden enkel jongens, meisjes werden niet toegelaten. De leerlingen oefenden in de eerste plaats Latijn. Daarnaast werden de jongens onderwezen in logica en zang. Veel leerlingen die de school verlieten, gingen studeren aan de universiteit van Keulen.


Waaggebouw

In de Middeleeuwen was de Grote Markt het economische centrum van de stad. Op maandag en donderdag werd in brood, groente, fruit en allerlei andere producten gehandeld. In 1612 begon men op het plein met de bouw van het huidige Waaggebouw. Alle verkochte producten werden verplicht gewogen. Hiervoor moest men weeggeld betalen. Dit was een belangrijke inkomstenbron voor de stad. Het westelijk deel van het gebouw werd opgeëist door de slachters, in het oostelijk deel werd voornamelijk boter gewogen en verhandeld. Het Waaggebouw overleefde het bombardement uit de Tweede Wereldoorlog en werd in de jaren zeventig gerestaureerd. In 1998 werd het verbouwd tot een restaurant.

Stadhuis


In 1230 kreeg Nijmegen stadsrechten van de Duitse koning. Daarmee waren de Nijmegenaren gevrijwaard van tolheffing op de rivieren en konden zij rekenen op koninklijke bescherming en een de waarborg van persoonlijke vrijheid. De koning stond het bestuur van de stad echter niet af. Pas na de verpanding van Nijmegen aan de graven van Gelre kwam er een zelfstandig bestuur in de stad. Op het einde van de veertiende eeuw komen we ook voor het eerst in de bronnen het stadhuis tegen. Later, in de zestiende eeuw, betrok men het huidige gebouw. De met beeldhouwwerk versierde voorgevel en de voorzaal werden gebouwd in 1553/54. In de loop der eeuwen is het stadhuis vaak verbouwd, uitgebreid en gerestaureerd (onder anderen door de beroemde architect Pierre Cuypers). De oorspronkelijke beeldhouwwerken aan de voorgevel stammen eveneens uit halverwege de zestiende eeuw en zijn vervaardigd door de Utrechter Cornelis Sass en zijn knecht. We zien onder de dakrand zeven medaillons die de zeven deugden voorstellen waaraan de stadbestuurders moesten denken bij het nemen van beslissingen: Hoop, Liefde, Geloof, Moed, Voorzichtigheid, Eendracht en Rechtvaardigheid. Tevens maakte Cornelis een Mariabeeld en acht keizersbeelden voor het stadhuis. Eind negentiende eeuw werd de voorgevel grondig gerestaureerd waarbij veel beelden vervangen werden. Dit gebeurde ook in 1953 toen er wederom een grote restauratie plaatsvond die de beschadiging uit de Tweede Wereldoorlog moest herstellen.

Blauwe Steen

Vlakbij het stadhuis, op de kruising van Burchtstraat-Hezelstraat en Grotestraat-Broerstraat, ligt de zogenaamde Blauwe Steen. ‘Het dramatische middelpunt van de Nijmeegse gemeenschap’ heeft een stadshistoricus deze steen genoemd. Op deze plaats werden in de Middeleeuwen misdadigers op wrede wijze terechtgesteld. Soms kon daaraan ontsnapt worden. Wanneer een vrouw uit het publiek een ter dood veroordeelde als haar man wilde nemen, werd de misdadiger gratie verleend. Er gaat een verhaal over een misdadiger die door een vrouw werd uitgekozen en daardoor vrijgelaten kon worden. Toen hij echter zag hoe deze vrouw eruitzag, heeft hij voor de dood gekozen.

 

1. St. Nicolaaskapel
2. Barbarossaruïne
3. het vroegere stadshuis
4. Waaggebouw
5. Blauwe Steen
6. St. Stevenskerk met de Latijnse school