Lezing tijdens INOG-dag, Bronbeek, 12 juni 2000 : Sessie Intergenerationele zorg

 

Door Rob Bouwman

Auteur van het boek Twee Moeders, Kampdagboeken en Bersiap

 

Ik ben in 1940 geboren.

Heb de Jappenkampen, de Bersiap en de Republikeinse kampen meegemaakt.

Ik behoor dus volgens de definitie tot de ‘Eerste generatie.’

Als ik op mijn herinneringen afga, ben ik meer een grensganger,

Iemand die tot de ‘Eerste’ maar ook tot de ‘Tweede’ generatie hoort.

Want van de Jappenkampen kan ik me vrijwel niets herinneren,

En van de Bersiap en de republikeinse kampen alles.

 

Wat brengt ons hier eigenlijk bij elkaar ?

Wat hebben wij hier met elkaar gemeen ?

Wellicht is het iets dan ongrijpbaar is,

Een gevoel, alsof je iets wilt pakken,

En er niet bij kunt,

Iets dat je een ander wilt vragen, iets belangrijks.

Maar die ander is niet meer,

Of geeft geen antwoord,

Heeft misschien wel nooit antwoord gegeven,

Of willen geven.

En dan blijf je zitten met al je onbeantwoorde vragen,

Terwijl je toch weten wil.

 

Die wil om te weten wordt sterker naarmate je ouder wordt,

Of niet soms ?

 

Wat dan toch te doen ?

Je hebt eigenlijk maar twee keuzen :

Blijven broeden over wat niet meer kan en wat niet meer komt,

Of zien dat je antwoord op je eigen vragen krijgt via een ander.

Zelf denk ik dat de laatste weg beter is,

Al is die niet gemakkelijk voor hen,

Die zo verstrikt zijn geraakt in hun eigen hechtingen,

Dat ze daardoor de ander moeilijk zullen kunnen bereiken.

 

Ik weet niet of ik daaraan iets kan bijdragen,

Want ik ben ervan overtuigd dat overdracht van zoiets gevoeligs heel moeilijk is.

Toch zal ik trachten u iets uit eigen ervaring te zeggen,

En ik hoop daarbij dat het anderen helpen kan.

Misschien dat uw hechtingen een beetje lijken op de mijne.

 

Ook ik zit nu met een waslijst vragen, die ik had moeten stellen,

En waarop het antwoord nooit meer komen zal.

Maar mij is wčl iets overkomen waardoor ik met heel veel,

In het reine heb kunnen komen.

 

Ik bied u mijn verhaal aan, in het kort.

In een boek heb ik het opgeschreven.

Het heet ‘Twee moeders’.

De uitgever is hier aanwezig met de nodige exemplaren,

Die u kunt kopen,

Als u er meer over wilt weten.

 

Dit is geen reclame voor mezelf,

Want ik geef mijn verdiensten als schrijver, weg aan doelen,

Die een relatie hebben tot de problematiek,

Die ons hier bijeen brengt.

 

Ik ben geboren in 1940, in Semarang,

Toen het 1941 was, woonde ik in Malang.

Samen met mijn moeder Doortje, haar zuster Ans en hun moeder, mijn oma dus.

Wij gingen allen eerst naar het Jappenkamp Karang Panas,

Daarna naar Lampersari, beide in Semarang.

Mijn vader dolf intussen, onder dwang, steenkool in Japan.

 

Doortje, mijn moeder, stierf op 8 mei 1945.

Nederland was net drie dagen bevrijd van de Duitse overheersing.

De atoombommen moesten nog vallen,

Om de Japanners te dwingen een eind te maken aan de waanzin,

Die ze hadden aangericht.

 

Ik was dus wees, al was ik er mij niet van bewust.

Ans de oudste zuster van mijn moeder, legde haar arm om mij heen,

En dat is zo gebleven, tot ze stierf in 1993.

De bevrijding kwam. Het was 15 augustus 1945.

We merkten er niets van en zo is het voor velen gebleven.

Het duurde nog een week voordat het tot ons doordrong.

Bevrijd voelden we ons even, maar we waren het niet.

De bersiaptijd brak aan: een nieuwe golf van terreur,

Die in Nederland nog steeds nauwelijks bekend is.

 

Wij hadden nog maar één tehuis waar we terecht konden.

Dat stond in Soerabaia. We gingen erheen,

Met een van de laatste overvolle treinen die er komen kon.

Want de oorlog was opnieuw begonnen.

Soerabaia, drie maanden lang,

Een hel van haat, terreur, verkrachting, moord en verwoesting,

Ging grotendeels in vlammen op.

 

Ik heb daar de vreselijkste momenten van mijn leven doorgemaakt.

Ofschoon nog geen 6 jaar oud, toch herinner ik me elk detail ervan.

Ook de liefde en de zorg van Ans, die als vanzelf mijn moeder werd.

 

Wij konden Soerabaia niet ontvluchten,

En werden eind november weggevoerd om,

Opnieuw opgesloten in een kamp in Soemobito,

Dit keer bewaakt door Indonesische republikeinen,

Een jaar in gevangenschap door te brengen.

 

Nog slechter was het dan in Lampersari, want het eten was op.

Niet alleen voor ons in het kamp,

Ook voor de anderen buiten het gedčk,

Want de Japanners hadden Java grondig leeggeroofd.

 

In 1946 werden we opnieuw bevrijd.

Sommigen moesten zelfs wachten tot 1947.

Het leven begon opnieuw.

Er werd gebouwd, er werd gewerkt.

Er werd verwerkt, maar,

Over de oorlog werd verder niet meer gepraat.

Soedah, voorbij, hoeft niet meer ja ?

 

Mijn nachtmerries bleven komen totdat ik 15 jaar oud was,

Maar Ans was er altijd om me te troosten,

Om me te vertellen dat het allemaal voorbij was.

En als ik haar dan vragen stelde over die tijd,

Gaf ze altijd antwoord.

 

Ik realiseer me ten volle dat ik een groot gelukskind ben,

want bij veel vriendjes van me ging het anders toe.

Een van hen heb ik pas leren kennen in 1962.

Hij heet Otmar Luinenburg, hij is nu dood,

Zijn beide ouders werden door de Jap onthoofd.

In Nederland volgde voor hem een kil onhaal,

Het soort onthaal dat velen ten deel viel.

Otmar had in Malang op de lagere school les gehad van mijn nieuwe moeder Ans,

Zij kon met hem praten, over van allerlei dingen,

daardoor alleen al heeft ze hem geholpen.

Ook al was het pas na 1962, toen hij al volwassen was.

En zoals hij waren er velen,

Al hadden ze niet allen het geluk dat er iemand was als Ans,

Die hem begreep.

 

 

In 1954 gingen we voorgoed naar Nederland,

Mijn vader, mijn nieuwe moeder Ans en ik.

Het leven in Holland begon daar opnieuw, school en studie,

Hard werken, carričre,

Totdat ik 5 jaar geleden dacht : Ik ben gek, ik hou ermee op,

En ga andere belangrijke dingen in het leven doen.

 

 

Kort daarvoor was mijn tweede moeder Ans doodgegaan,

Ik ruimde ik haar huis op, zoals dat hoort.

Op de bodem van een hutkoffer lag een dagboek van Doortje,

Mijn biologische moeder die in Lampersari door uitputting stierf.

Dit dagboek is zo mooi en gevoelig geschreven,

Zo zonder bittere wrok of verwijt,

Zo vervuld van de hoop en wanhoop die allen moeten hebben gevoeld.

 

Nu had ik tijd om terug te gaan naar Indonesië,

Om daar de wortels op te zoeken van die belangrijke eerste jaren uit mijn leven.

Het werd een markeerpunt in mijn leven.

 

Toen pas, toen ik mijn vragen niet meer kwijt kon,

Ben ik me gaan realiseren door wat voor tunnel van duisternis,

Die twee vrouwen, Doortje en Ans  zijn gegaan,

En met hen duizenden anderen.

Toen pas drong tot me door hoe zij zich moeten hebben gevoeld,

In hun hoop, maar meer nog in hun wanhoop.

 

En dan Ans, die bevrijd was en die

Na de zogenaamde bevrijding opnieuw door een lange donkere tunnel moest,

Ook nu weer was het onbekend hoe lang die tunnel zou zijn,

En of ze het licht aan het eind van die tunnel wel ooit zou zien,

Als er al een eind aan die tunnel zou zijn.

 

Nooit had ik gedacht een boek te schrijven

Over mijn emoties en ervaringen,

Toen gebeurde het gewoon,

Omdat het moest en door een toeval dat ik nu niet kan vertellen.

Na lang aarzelen heb ik besloten het mooie dagboek van Doortje

Prijs te geven aan de publiciteit.

Het vormt een belangrijke basis van mijn boek ‘Twee moeders’.

 

Ik heb getracht dit alles op te schrijven,

Voor mijn kinderen en hun kinderen en voor mezelf.

Het boek ‘Twee moeders’ is nu ruim drie maanden uit.

Ik heb veel reacties gekregen van mensen die er herkenning,

Erkenning en sommigen zelfs troost in hebben gevonden.

 

Ik heb niet de pretentie zeker te weten het u zal helpen,

Maar wat ik wel weet, is dat wat Doortje heeft opgeschreven,

En wat Ans verder heeft beleefd,

Een levensgroot raakvlak heeft met de beleving,

Van al die ouders, en van ons, hun kinderen,

Uit diezelfde tijd in Nederlands-Indië.

 

Ik wil dan ook afsluiten met het uitspreken van de gedachte,

Dat het goed is dat de nog levende ouders hun ervaringen delen,

Met hun kinderen en diens kinderen,

Maar ook met anderen als dat kan.

 

Het is evenwel ook goed, steeds maar weer vooruit te kijken.

Laat het achterom zien vooral daarop gericht zijn,

Dat uw toekomst helder moge worden.

terug naar Indonet